# Beschrijving“Een pasista (niet-klimmer) heeft geen keuze. Hij moet met minstens tien minuten voorsprong bij de voet van de Muro aankomen. Als hij dan moet lopen en een kwartier of meer tijd nodig heeft dan de renners die kunnen blijven fietsen, komt hij met vijf of zes minuten achterstand boven en zo mag hij nog steeds hopen…”. Gino Bartali.
Na de lange en relatief eenvoudige afdaling van de Ghisallo slaan mijn zwager en ik in een gehucht rechtsaf om de Colma di Sormano te gaan beklimmen. Het is druk op deze vroege zondagochtend in eind april. Half fietsend Lombardije klimt zwijgend alleen of is druk converserend in de vele groepjes de weg omhoog te vervolgen. Wij besluit het vooralsnog rustig aan te doen; mijn besluit voor straks staat in ieder geval vast. Die van mijn zwager ook. Voor wie hier nog besluiteloos is: óf je kiest de gelijkmatige Colma di Sormano óf de verschrikkelijke Muro di Sormano! Hier aan de voet van de klim heb je nog alle bedenktijd. De weg slingert met een procent of vijf tot zeven gelijkmatig omhoog. Het geeft de geest rust om tot in een diepe overpeinzing over te gaan: ‘Hoe voelen de benen? Kan ik het aan? Ik wil toch vooral niet afstappen! Of maar lekker gelijkmatig doorpeddelen?’ In westelijke richting heb je al zicht op de top van de Sormano. De tijd om te wikken en te wegen neemt zienderogen af. Wat ook geldt voor het dorp Sormano.
Na het buitenrijden van het dorpje Sormano bevestig ik mijn eerder gemaakte keuze door linksaf te sturen en mijn zwager te groeten. Bewegwijzering op het wegdek geeft namelijk aan dat hier de Muro di Sormano begint. Volgens cyclingcols.com de zwaarste beklimming van Italië. Wat data om van te schrikken:
# 2,1 kilometer klimmen tegen een gemiddelde van 13,8%
# Het aantal te overbruggen hoogtemeters bedraagt bijna 300. Dat is een zesde deel van de Stelvio. Vijf keer zoveel als de Keutenberg die qua gemiddelde stijging aardig in de buurt komt.
# Maximale stijging: 20,9%. Volgens de lokalen zelfs 25%. Of meer. Het is net wie je treft en vooral in welke hoedanigheid (lees: promillage).
Met een korte afdaling is het begin van de Sormano zeer aangenaam te noemen. Ook de eerste hellende meters langs een picknickterrein zouden voor een zekere overmoedigheid kunnen gaan zorgen. Zou deze overschatting zich meester van mij hebben gemaakt, dan zou het restant me in de koude kleren gaan zitten. Zo’n brute en zware beklimming heb ik nimmer meegemaakt of het moet de laatste kilometer van de oostzijde Zoncolan zijn (ik waag me niet zonder motor in de zitbuis aan de westelijke hellezijde).
De Muro slingert door een mooi bosrijk gebied van overwegend naaldbomen. Het wegdek is vol geschilderd met klimtijden uit de jaren ‘60. Elke overwonnen hoogtemeter is met behulp van de verfkwast op het wegdek zichtbaar gemaakt. Maar zie ik het nu goed? Komen diezelfde hoogte-aanduidingen daar zo dicht bij elkaar of is het optisch bedrog? Mijn gezichtsvermogen laat me niet in de steek. Dichter en dichter kruipen de nummers bij elkaar als een groep keizerpinguïns tijdens de barre winter. De steiltegraad valt me niet eens een beetje tegen. Het valt me zwaar tegen. Trapfrequentie hangt in de lage vijftigers, vermogen loopt sterk terug en de Garmin piept bij herhaling, omdat deze telkens een pauze vermoedt. Een groep mountainbikers dreigt me in te halen. Ik puf, ik hark, ik stoemp, ik sta stil. De groep haalt me in. Ik kijk en aanschouw … motortjes. “Zo kan ik het ook”, bedenk ik me en begroet ze vriendelijk met “motore”. Ze lachen ook nog. De hufters! Vermoeid hijs ik me op de fiets en weet in mijn pedalen te klikken. Het laatste zware stuk biedt een fenomenaal uitzicht op de vallei. Met moeite weet ik de fiets de juiste rechte weg op te sturen, zo erg geniet ik van deze beestachtige klim en het vergezicht, maar vooral het vooruitzicht dat mij nog slechts honderd meter luctor et emergo resten. Ik haal het! De Muro en Colma voegen zich samen en bieden een overweldigend uitzicht op de Alpen en de wereldstad Milano.
Overigens is de afdaling naar het Comomeer - dezelfde als de profs tijdens de Giro di Lombardia ondernemen - ook zeer de moeite waard. Tijdens de eerste kilometer is het nog onaangenaam april-koud. In de berm enkele restanten van de winter in de vorm van sneeuw met uitlaatgas. Ik waar me zo waar weer even op de Etna, die ik in februari van dit jaar heb beklommen. Het tweede deel is een bijtrapafdaling. Het gaat hier zelfs licht bergop. Het derde deel tot aan het meer is een beproeving van de stuurkunst. De vele haarspeldbochten halen de snelheid uit de afdaling, maar het scherp in en uitsturen van de bochten voelen heerlijk. Jammer dat er - en zeker op zondag - zoveel auto’s rondrijden.