# Il mio Passo del Mortirolo
De gehele rit naar Noord-Italië zijn alle gesprekken in de door Cycletours gehuurde bus van OAD zwanger van één woord: Mortirolo. De gevreesde pas in de Lombardische Alpen - door de organisatie foutief aangeduid als Dolomieten-West. In etappe vijf van zeven is het raak. Een deel van de groep werkt zich via een deel van de Passo Bernina omhoog om na de Foscagno en door het belastingvrije Livigno naar de Mortirolo te trekken. Een ander deel - waaronder ondergetekende - besluit(en) af te dalen en via Tirano naar de Mortirolo te trekken. Ik knijp ‘em als een ouwe dief met mijn dubbel met 39*27 als kleinste verzet. Mijn fietsmaat - Gerben - houdt halt aan de voet om rustig te eten. Ik besluit alvast naar boven te gaan. Ik weet niet wat ik meemaak. Een soort verlengde Keutenberg qua hellingsgraad. De smalle beboste weg is schitterend met her en der een doorkijk naar het dal. Ik denk - dat lukt me nu nog - aan de titel van een verhalenbundel van Nescio: Boven het dal. Het zullen, voorlopig althans, mijn laatste gedachten zijn.
Het jaar daarop erop heb ik überhaupt geen gedachten meer. Na al de Gavia en Stelvio te hebben beklommen, rijd ik tegen drie uur ‘s middags in de verzengende hitte omhoog. Het stuk tussen Bormio en Mazzo was lang en heet met een ‘naar klimmetje’ ertussen. Ik ben dan al gesloopt, doorbakken, doorweekt en geradbraakt als ik me tegen de muur die Mortirolo heet opwerk.
Vreemd genoeg - na het de Nescio gedachtespinsel - lig ik continu in een deuk om de absurdheid van deze helling. Spinning op het zwaarste verzet. Af en toe passeer ik een soort kabouterhuisje waaruit rookpluimen opstijgen. Ook het lawaai van houtzagen dringt mijn gedachtegoed binnen.
De hitte wordt me bijna te veel. Mijn bidons zijn nagenoeg leeg. Want bewust en dus minder gewicht. Het geluid van kabbelend water dringt mijn gedachten binnen. Ik stop, klauter naar beneden en vul mijn bidons. Een ervan stort ik over mijn doorkookte hersenpan.
De kabouterhuisjes worden bomen. Bomen worden meer bomen. Meer bomen wordt een bos. Een bos wordt een woud. Plots het monument van Pantani. De weg lijkt gemakkelijk te worden. Negen procent. Eitje. Nog even dus.
Vind ik fietsen nou echt nog leuk? Waar blijft het monument? Wil ik dit nog wel? Waar blijft het monument? Dit is toch gekkenwerk? Waar blijft het monument? Pijn in benen, rug en armen. Waar blijft het monument? De klim wordt makkelijk. Waar blijft het monument? Of ben ik er al voorbij?
Zowel in 2007 als in 2008 zijn de alpenweides van de top een paradijs - een verademing - een kuuroord. Ik wil hier blijven en me laven aan van het koude water dat in de drinkbak van de der koeien stroomt. Polsen in het ijskoude water. Nadenken lukt weer. Nog even op de uitlopers, de top passeren passeer de top, een fotomoment en ik stort me in de armen van de afdaling.
Veni, vidi, vici.